Naar de inhoud
Buon Italiaans

De maanden en seizoenen in het Italiaans

De maanden in het Italiaans lijken op die in het Nederlands: gennaio, febbraio, marzo, aprile en verder. De seizoenen zijn la primavera, l’estate, l’autunno en l’inverno.

De maanden van het jaar I mesi dell’anno

De seizoenen van het jaar Le stagioni dell’anno

De datum zeggen La data

Bij een datum gebruik je gewone getallen, alleen de eerste van de maand is il primo. Maanden schrijf je zonder hoofdletter.

De seizoenen in een zin Le stagioni in una frase

Test jezelf

Vijf korte vragen uit deze les.

Veelgestelde vragen

Wat zijn de maanden in het Italiaans?

Gennaio, febbraio, marzo, aprile, maggio, giugno, luglio, agosto, settembre, ottobre, novembre, dicembre.

Wat zijn de seizoenen in het Italiaans?

De lente is la primavera, de zomer l’estate, de herfst l’autunno en de winter l’inverno.

Hoe zeg je de datum in het Italiaans?

Met het lidwoord en een getal: il tre marzo is 3 maart. Alleen de eerste is anders: il primo maggio.

Verder oefenen