Nederlands English

Op reis gaan (In viaggio)

Onderstaand zie je in het Italiaans woorden en zinnen die je gebruikt wanneer je op reis gaat. Om de Nederlandse vertaling te tonen klik je op het knopje 'Tonen'. Om vervolgens de vertaling te verbergen klik je op 'Verbergen'.



In viaggio

Il viaggio di andata

Il viaggio di ritorno / Il ritorno

Come viaggi a Milano?

Vado in aereo / Prendo l'aereo

A che ora si prende il bus

Prendi la macchina o l'autobus?

Tutto è organizzato

A che ora parte l'aereo, quando parte l'aereo

Lascio lunedì e torno sabato

Op reis gaan

De heenreis

De terugreis

Hoe ga je naar Milaan?

Ik ga met het vliegtuig

Hoe laat pak je de bus?

Ga je met de auto of met de trein?

Alles is georganiseerd

Wanneer vertrekt het vliegtuig?

Ik vertrek maandag en ik kom zaterdag terug